Overleven in de groene hel.

Het is al weer een aantal jaren geleden dat ik in de Bush was.
Een artikel in het blad van de TRIS ( Troepenmacht In Suriname ) bracht me in gedachten weer terug naar de binnenlanden van het mooie Suriname.
Nederlandse mariniers kregen een opleiding in overleven en in gevechtstechnieken in de Surinaamse jungle.
Een opleiding van een aantal weken, onze opleiding duurde een jaar, al was deze voor mij als chauffeur wel aangepast. Gelukkig mocht ik een aantal keren mee de Bush in.
                     
                      Achter het stuur van mijn DAF 314 klaar voor de Parade.
 
Dienstplichtigen konden zich v
ˇˇr 1975 opgeven voor uitzending van maximaal 13 maanden naar Suriname en ik was een van hen. EÚn jaar opleiding in alle seizoenen, in droge en natte tijden. Als chauffeur viel dat nog wel mee, maar je leerde elke dag, vooral in het omgaan met het toen al drukke verkeer. De "wilde" busjes schoten van links naar rechts en stopte overal als een passagier zijn hand maar opstak. In 1968 brachten ze je voor 10 cent overal in de stad. Plotseling stopte zo'n busje voor mijn drietonner. Ik moest hard in de ankers en de 20 man die achterin zaten werden, door het remmen naar voren geschoten. Boos stapte ik uit, met mijn kapmes in de hand wilde ik de chauffeur te lijf gaan. Gelukkig was er iemand zo wijs om er tussen te springen.


Terug naar de groene hel, de praktische opleiding in de Bush lag bij onderofficieren. Veelal Surinaamse militairen, Creolen, Indianen en Hindoestanen die het oerwoud op hun duimpje kenden. Velen hadden gediend in IndonesiŰ en Korea. Zij leerde je te luisteren naar de Bush, wat van pas kwam als je 's nachts moederziel alleen moest wachtlopen. Luisteren naar de grote stilte en het nachtconcert van de krekels, de brulkikkers en het donderende geluid van de brulapen. De bush-bush is dicht gegroeid, je leert kijken door te luisteren. Als er geen heldere hemel was dan is het echt donker, je ogen gaan meer zien als het echt donker is.
Kijken wat de aap eet, dat kan de mens ook eten. Hoe vang je een slang, welke liaan geeft je te drinken. Welke slang is giftig en welke niet. Je leert eten wat de jungle in voorraad heeft. Alles vakkundig boven een houtvuurtje bereid, net zoals we geleerd hebben tijdens onze jungletraining in het basiskamp "Zanderij", nu Ayoko kazerne geheten.
 
Daar ligt ie dan, uren wachten op hulp


Soms droom ik nog terug naar wat er op het menu stond tijdens de patrouilles, als we door onze voorraden heen waren en de noodrantsoenen op waren: Aap, slang, bosvarken, piranha's, kaaiman, leguaan etc.
Marsen van dagen, soms weken, met houwer urenlang een weg kappen door de onderbegroeiing van de bush-bush.
November is de drogetijd dus weinig muskieten en mampieren.  Een "doorsteek" in de natte tijd vraagt weer een andere instelling, geen harde ondergrond maar door zwampen en kreken strompelen. Rusten is er haast niet bij, even op de plaats rust en je zakt langzaam in de blubber. In het beste geval even bijkomen op een omgevallen boom om de bloedzuigers van je benen, borst en rug verwijderen. Dan de stekende kwelgeesten. Mampieren, een heel klein insect ter grote van een speldenknopje. Ze gaan door alles heen, komen in een grote donkere wolk op je af en maken je stapel gek. Ik heb de 's nachts met mijn drietonner uren vast gezeten op de "Savanna", ik dacht echt dat ik gek werd van die beesten.

Een comfortabel hangmatje 

Overnachten was redelijk comfortabel. Wij waren uitgerust met een hangmat, een muskietennet en een zijldakje; een soort hangend tentje. Maar het kwam ook voor dat je een slaapplaats ( Tampatje ) op de grond moest maken. 's Morgens stijf en stram vol met insectenbeten weer op mars naar het volgende bosnegerdorp. Eerst beleefd toegang vragen aan de " Granman", de kapitein van het dorp, met alle rituelen die daar bij hoorden.
We waren weer een "doorsteek" rijker, zwemmen in de rivier, plunje wassen en drogen en het bijhouden van je uitrusting. Intussen was uit het basiskamp de bevoorrading met eten aangekomen. De verleiding was er, om over de weg terug te gaan, naar het basiskamp maar de terugtocht per korjaal bleef trekken. 's Avonds was er "dansi-dansi" met de dorpelingen waar wij, met de nodige "Djogo's" ( een literfles Parbobier ) hartstochtelijk aan meededen.
De volgende ochtend per korjaal, over de brede rivieren waar de kaaimannen bij onze benadering snel het water in schoten, kleurrijke ara's verschikt opvlogen, terug naar het basiskamp.
Op je bed onder je klamboe vraag je je dan helemaal kapot af waar je aan begonnen bent. Tranen en heimwee probeer je weg te drukken, je slapie mag het niet merken. Je draait je om naar de muur en valt in diepe slaap.